Ze gaat er nog graag met elektrische rolstoel op uit als ze zich goed voelt, is me verteld.
Het was een prachtige dag, dus ik kwam zonder leesboek in mijn tas, Want we gingen naar buiten, zij en ik. Althans, dat dacht ik.
Als ik mijn auto parkeer zie ik het bed voor het raam in de woonkamer, het kijkt uit op een rustig park.
Haar man opent de deur voor mij. “Ik ben niet mevrouw“ zegt hij grappend als ik mezelf voorstel. Hij zou wat stil zijn en een beetje moeite hebben met alle vreemde gezichten over de vloer.
Ze ligt in bed, met haar ogen dicht. mager, verzwakte stem. Holle, maar grote, prachtig blauwe ogen openen zich naar mij.
Ze is 2 dagen geleden 78 geworden. Het huis staat vol met bloemen en kaartjes.
Het was haar laatste verjaardag.
Hoe moet dat zijn geweest, zo’n verjaardag met die wetenschap?
78, het is niet heel oud. Mijn perceptie van leeftijd schuift op naarmate ik zelf ouder word. Mijn vader werd 89, ook dat vond ik niet oud, want hij was mijn actieve, wandelende vader tot 3 weken voor zijn dood. Hij had wel 100 kunnen worden.
Ze kan niet meer naar buiten zegt ze en doet haar ogen dicht.
Meneer zit op de bank. Hij zegt al snel dat ik anders ook wel mag gaan.
Voor mij is het zoeken. Wil hij niet even eruit? Al geweest, dochter was er vóór mij en toen is hij om een boodschap geweest.
Mijn komst voelt wat nutteloos, maar dan raken we in gesprek. Hij en ik.
Over hun 3 kinderen.
Een jongetje van 1,5 dat ineens doodziek werd en stierf. De boosheid naar een lakse huisarts is nog te horen in zijn stem. En dan hun dochter die 14 jaar geleden omkwam bij een noodlottig ongeval.
Ik mag foto’s van haar zien en het boekje wat hij heeft gemaakt met alle woorden die over haar zijn geschreven in het condoleanceregister.
Wat kan je nog maken voor een geliefd iemand die er niet meer is?
Samen praten ze er moeilijk over.
Hoe makkelijk heb je het nog over verdriet wat zo bekend is bij je naasten?
Aan wie kan je nog eens dat hele verhaal vertellen, alsof het nieuw is?
Het derde kind, de dochter die gelukkig dichtbij woont, bezoekt zo vaak als mogelijk haar ouders.
Dan bedenkt hij dat hij nog naar de apotheek moet. Mevrouw is wakker.
Ze vertelt me dat ze denkt niet lang meer te hebben.
Ik vraag haar wat dat voor haar betekent. “moeilijk”. Wat maakt het moeilijk? “Ik ben bang”. Weer vraag ik verder. Ze is bang voor het onbekende. Wat gaat er gebeuren en waar gaat ze naar toe? Ze is niet gelovig, althans, ze gelooft wél dat ze haar dochter weer gaat zien. Nee, dat weet ze zeker.
Ze heeft warme voeten. Ik maak koude kompressen. Meneer die weer thuis is met de medicijnen maakt een teiltje koud water. De liefde is voelbaar.
Ik ververs wat bloemen en kijk hoe meneer een klok repareert.
Langzaam is daar het afscheid.
Ik hoop dat ik je nog zie, zegt ze.
De week erop overlijdt ze rustig in bijzijn van haar man en dochter.
Ik stel me zo voor dat haar andere dochter haar opwachtte, samen met haar broertje.
Dat ze niet meer bang was.
Soms lijkt een inzet in eerste instantie minder nuttig, maar blijkt er later een te zijn met een gouden randje.

